Medhi vriend is vertrokken naar het stille land. De vuurvliegjes dartelen om me heen in de grote tuin van mijn gastheer. Zij horen bij het stille land aan de overkant van het leven. Waar de stilte geen tijd kent om te bewegen. Waar de vloed van mensen gestold is tot enkel rust. Waar geen vruchten groeien dan die van niets. Ik kijk naar de vuurvliegjes die pijlsnel lijken te vertrekken naar het stille land. God is eigenlijk de dood, denk ik, en zo is het mooi. God is het stille land,waar water en lucht een zijn.Medhi is gegaan over zijn geliefde bergen, door zijn prachtige zee om uit te komen in de oase van ‘je mag blijven’.
De dag valt uiteen in jaren. Vriend wordt rots alleen beklommen via herinneringen. Vriend wordt een gezicht diep in de lucht van het water, waar het drukke leven zijn snelweg schept.

Toi et moi les deux gamins de Sicile,
jouant voyous en Palerme,
ratatant dans les rues en bagnole.
T’es parti pour le pays de silence,
qu’on etait vite dans les bruits de la ville
Adieu mon pote je t’amais bien
Adieu Medhi je t’amais bien tu sais
Ratata, ratata, ratata.